Op 29 juli 2025 overleed Luce van Rooy op 87-jarige leeftijd. Ze was beroemd vanwege haar galerie in Amsterdam, gespecialiseerd in architectuurtekeningen en maquettes. Bijzonder was de vanzelfsprekende verbinding tussen kunst en architectuur.
‘Vanwege haar invloed en kennis was Luce vanaf de oprichting van Arcam een belangrijke informant en adviseur bij de programmering’, zegt Maarten Kloos, oprichter en voormalig directeur van Arcam. ‘Met haar ontwikkelde Arcam programma’s rondom toen nog onbekend, opkomend talent, zoals Rem Koolhaas en Ben van Berkel. Toen Arcam de structuur van informanten formaliseerde in een Programmaraad, werd Luce een van de eerste leden. Dat was ze bijna tien jaar lang, van 1989 tot en met 1997. Ze heeft al die tijd een belangrijke bijdrage geleverd aan de programmering en positionering van Arcam in de architectuurwereld, en daarbuiten.’
Vanwege haar invloed en kennis was Luce vanaf de oprichting van Arcam een belangrijke informant en adviseur bij de programmering
Dirk van den Heuvel, als onderzoeker verbonden aan de TU Delft en het Nieuwe Instituut, is lid van de Programmaraad van Arcam sinds 2024. Hij blikt terug op haar betekenis voor de architectuur.
Luce van Rooy begon haar galerie in 1980 in Amsterdam Zuid om de hoek van het Stedelijk in de Willemsparkweg. Naar eigen zeggen vooral op instigatie van Rem Koolhaas. Ze verbleef enige tijd in New York en zag daar hoe de galerie van Max Protetch en het Drawings Center architectuurtekeningen opnamen in hun presentaties. Van Rooy Galerie werd onderdeel van een internationaal netwerk. In Milaan was Antonia Jannone actief, en in Berlijn hadden Helga Retzer en Kirstin Feireiss praktisch tegelijkertijd de Aedes galerie geopend (nog steeds actief onder de naam Aedes Architecture Forum).
De galerie heeft uiteindelijk tot 1995 bestaan, en markeert een belangrijk overgangsmoment in de Nederlandse architectuur – van stadsvernieuwing en postmodernisme tot SuperDutch aan het eind van de jaren negentig. Het Nederlands Architectuurinstituut bestond nog niet en Rem Koolhaas zou met OMA pas in 1986 zijn eerste gebouw realiseren. Luce was de eerste die buiten Londen een tentoonstelling wijdde aan Zaha Hadid, een installatie met tekeningen onder de noemer Planetary Architecture. Andere grote internationale namen die bij haar een podium kregen, waren Daniel Libeskind, Giorgo Grassi, Aldo Rossi, Julia Bolles en Peter Wilson, en Tadao Ando.
De galerie had een soort cultstatus, geheel afwijkend van die van een publieksinstelling als een universiteit of museum, als een exclusieve salon. Ikzelf hoorde van het bestaan van de galerie als student in Delft via John Körmeling, die als Eindhovenaar langskwam in Delft voor een speciale workshop. Hij had voor Luce van Rooy zojuist een ‘vierkante’ zon van fel stralende TL-buizen geproduceerd als hommage aan De Stijl. Behalve Körmeling toonden ander aanstormend Eindhovens talent zoals Jo Coenen, Wiel Arets en Wim van den Bergh hun werk bij Van Rooy. De connectie tussen Eindhoven en de Amsterdamse galerie was zeer prominent, onder meer via Hans Tupker, die zijn bureau in Amsterdam had en lesgaf in Eindhoven. Hij en Van Rooy onderhielden een speciale relatie met de Verenigde Staten en verkeerden daar in de kringen van de New York Five en het IAUS, waaronder Peter Eisenman maar ook fotografe Judith Turner.
Terugkijkend valt een paar zaken op, die vragen om een reflectie op wat architectuur toen betekende en wat het nu (weer?) zou kunnen zijn. Ten eerste is daar de vanzelfsprekende link met de kunst. Want behalve architectuur toonde Luce van Rooy ook werk van kunstenaars, zoals Marc Ruygrok en Alfred Eikelenboom. De wisselwerking met de kunst is voor de architectuur belangrijk en productief gebleken om vanuit een relatieve autonomie nieuwe verbanden met de maatschappij te kunnen aanknopen, voorbij dienstbaarheid en sociaal-functionele noodzakelijkheid op zoek naar ruimte voor verbeelding van collectieve ervaringen en verlangens.
Ten tweede was het begin jaren 80 de tijd van de ‘papieren’ architectuur toen architecten weinig opdrachten in portefeuille hadden. De tekening werd het geëigende medium voor speculatie over de mogelijke verschuivende betekenissen van de architectuur in een tijd waarin verzorgingsstaat en overheidsplanning stap voor stap plaatsmaakten voor marktdenken en ondernemerschap. Dat de galerie ophield te bestaan midden jaren 90 lijkt dan ook niet toevallig samen te vallen met de digitalisering en de entree van internet en de computer, toen ook de economie aantrok en globalisering van markten nieuwe mogelijkheden bood voor architecten.
De focus op de tekening maakte van Luce van Rooy een pionier op het gebied van zeefdrukken waarmee unica bereikbaar werden voor meerdere verzamelaars en een breder publiek. Samen met drukker Bernard Ruygrok die het ambacht van zeefdrukken tot in de puntjes beheerste, resulteerde dat in een reeks unieke prints. Het bracht de galerie geen economisch succes, maar diverse prints met name voor OMA zijn inmiddels wereldberoemd en behoren tot de beeldcanon van de laat-twintigste eeuwse architectuur, zoals het triptiek van de Boompjes uit 1983.
Aan het eind van haar leven was er weer enige aandacht voor de betekenis van het baanbrekende werk van Luce van Rooy. Weliswaar bescheiden, maar niet van de minsten. De Britse privéverzamelaar Niall Hobhouse en grondlegger van de inmiddels befaamde Drawings Matter Collection nam enige sleutelwerken over van Van Rooy voor zijn eigen verzameling en organiseerde een feest ter gelegenheid van haar 80-jarige verjaardag op zijn voormalig landgoed Shatwell Farm. De historicus Jordan Kauffman bespreekt de Van Rooy Galerie in zijn standaardwerk Drawing on Architecture (MIT, 2018), geheel gewijd aan de veranderende en bijzondere rol van architectuurtekening voor de architectuurproductie van de jaren 1970-1990.
Ik zelf heb haar in het voorjaar nog opgezocht vanwege mijn onderzoek naar queer architectuur en Dick van Woerkom, een van de grondleggers van de collectie van het huidige Nieuwe Instituut, en ook een ‘papieren’ architect wiens werk Luce van Rooy in 1987 had tentoongesteld. Zij had nog diverse sets van zeefdrukken van zijn werk in haar ladekast.
Bij het afscheid op Zorgvlied werd veel van hierboven gememoreerd. Wat vooral ook naar voren kwam, was een bijzonder karakter uit een even bijzondere familie, autonoom met een speciaal oog voor zaken die de meesten van ons over het hoofd zien. Luce van Rooy was zelf opgeleid als textielontwerper op de Koninklijke Academie in Den Haag, terwijl haar moeder ‘sierkunstenares’ en binnenhuisarchitect was. Haar grootvader was niemand minder dan H.P. Berlage, haar broer Max was jarenlang de architectuurcriticus voor NRC Handelsblad. Neef Vincent Bijlo memoreerde Luce van Rooy’s speciale gevoel voor humor, droog en lichtelijk onthecht met een soort pokerface, maar altijd to-the-point. Hij haalde de dagboeken van haar kortstondige liefdespartner Doeschka Meijsing aan om te vertellen hoe zij anderen een gevoel van bijzonder geluk kon bezorgen.
In een kort TV-fragment van een lang vergeten serie over kunst – ook getoond bij het afscheid – verschijnt Luce van Rooy zelf. Eerst zien we haar in haar eigen galerie geheel in jaren-tachtigstijl met blazer en stropdas, waarschijnlijk aangeschaft bij Lady Day, de iconische en sjieke tweedehandswinkel in de Hartenstraat, om te eindigen op een boot varend op de Amstel met hoed en kleurige leren handschoenen, terwijl ze de net gereed gekomen Stopera van commentaar voorziet. Ze legt droog en rustig uit wat ze precies doet op zo’n manier dat ik aan Wim T. Schippers en Herenleed moet denken, serieus en tegelijk aangenaam provocerend, als een zachte boodschap uit een voorbij Amsterdam en andere tijd.