Luitenant-admiraal buiten dienst, Rob Bauer windt er geen doekjes om: ‘Het is op dit moment geen oorlog in Nederland, maar ook geen vrede.’ Het is daarom zaak om vaart te maken met het weerbaar maken van de maatschappij en het in paraatheid brengen van militairen. Dat heeft overal in Nederland flinke ruimtelijke consequenties en het vraagt van iedereen inzet. Wat ga jij doen? De toon is gezet, op de avond die Arcam op 29 november op Werf ‘t Kromhout organiseerde over ruimtelijke strategieën voor als de oorlog komt. Hoe kunnen defensie en ruimtelijk ontwerpers elkaar vinden in dit ruimtelijk vraagstuk?
Publiek wakker schudden
Het publiek wakker schudden is de taak van Bauer, en dat doet hij buitengemeen kundig. Zijn verhaal schudt het publiek zelfs zozeer door elkaar, dat het ter plekke amper een kritisch weerwoord weet te bieden op de agenda en de aanpak die Defensie presenteert. Wellicht, omdat de Luitenant-admiraal ze aanbiedt met een disclaimer van dwingende toon: ‘Nu stappen maken, is geen keuze. Die hebben de Russen en de Chinezen al voor ons gemaakt’. Oftewel, willen we niet nog meer achteropraken, dan moeten we nu vaart maken. Jeroen Verwoort, wethouder te Velsen, wijst op het gevaar dat het spuigemaal in IJmuiden buiten werking zou worden gezet. ‘Dan staat Amsterdam binnen no-time onder water.’ Tijs van Lieshout, directeur Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, weet te vertellen dat bij stroomstoring in Amsterdam 16.000 liften buiten werking treden. ‘Dan is de brandweer bezig mensen uit liften te halen, terwijl hun inzet wellicht juist elders nodig is.’ Ook bestuurders in de regio zijn dus al volop bezig met het nadenken hoe te anticiperen op noodsituaties. Voorwaarts, mars dan maar met het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie?
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
Je moet het de medewerkers van het Ministerie van Defensie nageven. Ze zijn de afgelopen jaren voortvarend en doelgericht aan de slag gegaan. Van dit kordate, uitvoeringsgericht keuzes maken kan ruimtelijk ordenend Nederland nog wel iets leren. Het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie is op 5 juli 2023 gestart. ‘En we beogen het Ontwerp Nationaal Programma Ruimte Defensie in december 2026 vast te stellen’, vertelt Ron Dooms, Strategisch Beleidsadviseur Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, Afdeling Leefomgeving. Hij laat zien waar Defensie ruimte denkt te vinden voor kazernes en oefengebieden. Maar ook (milieu)ruimte voor bijvoorbeeld varen, (laag) vliegen en rijden binnen passende normen. Overigens pakt Defensie dit proces (vooralsnog) precies volgens de juridisch geldende planningsprocedures op, met alle benodigde inspraakrondes en de mogelijkheid voor insturen van zienswijzen op een voorlopig ontwerp. Ook is in het voorontwerp Nota Ruimte de ruimtebehoefte van Defensie al ingekleurd. Vooralsnog. Want nood breekt wet. Op het moment dat de dreiging echt groot is, kan Defensie met behulp van noodwetten versneld besluiten nemen. Dat is de ‘bottere’ wijze van plannen, zonder inspraak, aldus Dooms.
Ruimtebehoefte in kaart gevat
Voor de Metropoolregio Amsterdam, Noord Holland-Noord en de provincies Utrecht en Flevoland staat een en ander al behoorlijk concreet op kaart. In een aanzienlijk gedeelte van Noord-Holland komt een uitbreiding van het laagvlieggebied voor helikopters, Den Helder krijgt er een stationeringsplek voor drones bij, Zeewolde een nieuwe kazerne – deze zou vanaf 2035 al operabel kunnen zijn – en voor luchthaven Lelystad geldt het vooruitzicht van militair gebruik, laat kolonel Larry Hamers, Regionaal Militair Commandant, militair gezagsdrager en (infra)behoeftesteller zien. Maar er staat meer op stapel, want met het werven van militairen, zullen er in de buurt van de kazerne ook woonplekken moeten komen. Waar is nog onduidelijk. Bruggen, wegen en andere infrastructuren zullen zo uitgevoerd moeten worden dat ze zwaar materieel kunnen dragen. Er moet bijvoorbeeld ook nagedacht worden hoe Nederland een rol zou kunnen spelen bij het doorvoeren van materiaal via de haven van Rotterdam naar het Oosten van Europa of de opvang van oorlogsvluchtelingen uit bevriende gebieden die bezet raken. En is de capaciteit van onze ziekenhuizen groot genoeg voor noodsituaties? Dit zijn allerhande ruimtelijke vraagstukken waarbij kwesties rondom capaciteit nog onbekend zijn, maar waar je wel al op zou moeten anticiperen. Bovendien gaan ze gepaard met ethische kwesties. Daarover zou je maatschappelijk in gesprek moeten gaan. Stel dat de vrede in Europa – dus ook Nederland – op het spel staat en er aan de oostgrens van Europa wordt gevochten. Hoe zet je de beschikbare zorg in Nederland dan in? Heeft een gewonde militair die vecht voor onze vrijheid voorrang op zorg, ten koste van een zorgbehoeftige Nederlandse burger?
Snelheid versus zorgvuldigheid
Het zijn precies de ruimtelijke kwesties buiten het getekende kaartje met de kazernes en ander militair programma, waar Defensie nog weinig antwoord op weet. De ruimtelijk ontwerpers in het panel weten er wel raad mee. Die gaan meteen aan. Architecten, stedenbouwers en landschapsarchitecten zijn meesters in het ontwerpen van meervoudig ruimtegebruik. ‘Ligt de kazerne wel goed gepland in Zeewolde, als je je bedenkt dat in de buurt van zo’n faciliteit vooral jonge medewerkers gehuisvest zullen moeten worden?’, vraagt landschapsarchitect Pim Kupers van H+N+S Landschapsarchitecten zich af. Defensie maakt zich tijdens de bijeenkomst ook thuis in enig (lelijk) jargon van de ruimtelijke sector. Het woordje ‘koppelkansen’ is haar nog niet bekend. Ook de sprekers zien dat het verknopen van defensie-opgaven met vraagstukken rondom wonen, gezond bodemleven of mobiliteit slimmer ruimtebeslag op zou kunnen leveren. Niettemin is Defensie ook eerlijk over het dilemma wat dit denken met zich meebrengt. In de snelheid waarom het nemen van defensiemaatregelen vraagt, kun je de zorgvuldigheid van ontwerpen en plannen uit het oog verliezen. Al te voortvarend ‘voorwaarts, mars’ gaan, levert dan ruimtelijk schrale keuzes op.
Defensief narratief
Bauer is voormalig Commandant der Strijdkrachten en voormalig voorzitter van het Militair Comité NAVO. Hij weet natuurlijk veel meer af van oorlog voeren, crisissituaties en geopolitieke dreigingen dan een architectuurhistoricus zoals ik. Defensie is zijn expertise en hij heeft mogelijk ook nog eens informatie die voor de gewone burger geheim blijft. Als hij zegt dat de oorlog – in welke vorm dan ook – al flink op de deur bonkt, doe ik er misschien het beste aan om hem te geloven. Toch weet hij me met zijn wapengekletter in taal nog niet helemaal te overtuigen. Ik heb vooral twijfel over de manier waarop we ons volgens defensie moeten voorbereiden op noodsituaties. Een flinke week na dit avondprogramma valt het informatieboekje Bereid je voor op een noodsituatie in de brievenbus. Deze brochure van de rijksoverheid is onderdeel van de meerjarige Denk vooruit-campagne, die mensen helpt zich zo goed mogelijk voor te bereiden op 72 uur zonder water, stroom of internet. Het valt me op dat de auteurs van het boekje zich bedienen zich van eenzelfde retoriek als Bauer, Dooms en Hamers. Niet toevallig lees ik op pagina drie wederom die dreigende zin: ‘Het is op dit moment geen oorlog in Nederland, maar ook geen vrede’. Ook het verhaal van vanavond is onderdeel van deze campagne. Men kiest voor klare taal en de kracht van de herhaling. Herinnert u zich de beroemde uitspraak van Machiavelli: ‘Regeren is doen geloven’? Met de campagne biedt de overheid de maatschappij een narratief om mensen te doen geloven hoe de geopolitieke dreiging van repliek te dienen. Namelijk met meer militairen, laagvliegende helikopters, kazernes en een burgerbevolking die noodpakketten inslaat en noodplannen opstelt.
Ons landschap bezien vanuit een militair
Dat defensie met dit narratief komt is verre van vreemd. Defensie gaat problemen graag te lijf met defensieve oplossingen. Dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Vraag je een architect om een probleem op te lossen, dan zal hij met een ontwerp komen. Als architectuurhistoricus pleit ik graag voor meer onderzoek, het liefst opgebouwd vanuit de langere lijnen van de geschiedenis. De Amerikaanse schrijver John Brinckerhoff Jackson schreef in de jaren tachtig een prachtig essay, waarin hij het landschap beschrijft vanuit het perspectief van een militair. De soldaat ziet een heuvel als een potentiële schuilplaats en een open vlakte als risicogebied. Directeur van Arcam, Indira van t’ Klooster, gaf in haar inleiding op de avond ook al aan dat een militair bossen niet beschouwt als een verzameling bomen die CO2 opnemen, zuurstof produceren en de biodiversiteit ondersteunen, maar als bovendekking. Onder een bladerdak ben je onzichtbaar voor een vijand die bijvoorbeeld overvliegt. Zonder de huidige geopolitieke dreigementen te willen bagatelliseren, is het belangrijk ons bewust te blijven van deze perceptieverschillen. Net zo goed als je per situatie de ontwerper kritisch moet bevragen of ontwerp de beste oplossing biedt, moeten we dat ook doen richting Defensie.
Ruimtelijke dienstplicht
Nu is het moment om kritisch mee te denken. Nu bevinden we ons namelijk nog in de periode vóór directe dreiging en dus vóór het mogelijk instellen van noodwetten. Nu is er in de door te lopen procedures om programma ruimtelijk te doen landen nog ruimte in tijd om te komen tot slimme koppelingen van programma of het pleiten voor andersoortige oplossingen. Gezien de doelgerichtheid waarmee Defensie te werk gaat, is het wel zaak het tempo waarmee ontwerpers zich mengen in deze opgave op te voeren.
Christopher de Vries, architect en oprichter van Rademacher de Vries denkt dat het springen op de rijdende defensietrein kansen kan opleveren voor het vakgebied. ‘Defensie kan een vliegwiel zijn voor vastgelopen planprocedures.’ Hij weet ook een antwoord te geven op de vraag van Bauer ‘Wat ga jij doen?’ De Vries ziet het als zijn “ruimtelijke dienstplicht” om na te denken hoe de wensen van Defensie, gecombineerd met opgaven die al spelen beter gepland plek te geven. Zelf ontwierp hij met zijn bureau, in opdracht van het College van Rijksadviseurs, aan de verduurzaming van het Tata Steel terrein in IJmuiden. Het bedrijf zou in oorlogstijd een belangrijke rol kunnen spelen in de productie van materieel. Zet dan nu ontwerpkracht en budget in om daarop te anticiperen, en tegelijkertijd het terrein te verduurzamen.
Omgaan met het ongewisse
Ontwerpers kunnen Defensie expertise bieden die het nu mist. Van de geschiedenis weten we bijvoorbeeld dat Defensie goed is in het agenderen van dreiging, maar minder goed om ruimtelijk voor te sorteren op een onzekere toekomst. Generaals bereiden zich altijd voor op de laatst gevoerde oorlog, en worden verrast door de nieuwe, zo wordt vaak gezegd. Die uitspraak moeten we ter harte nemen. Het Nederlands militair erfgoed is getuige van deze werkelijkheid. Denk bijvoorbeeld aan de Stelling van Amsterdam. Deze was tijdens de realisatie ervan militair al niet meer doeltreffend, omdat de technologie van oorlogvoering vliegensvlug was veranderd. Zo kon met de nieuw uitgevonden brisantgranaat het metselwerk in een handomdraai verpulverd raken, en maakte de komst van vliegtuigen de verdediging van een stelling kwetsbaar.
Ontwerpers zijn in staat om nog ongewisse verandering te interpreteren en te voorzien van concrete ontwerpvoorstellen. Hoe zou je bijvoorbeeld grootschalige opvang van Europese oorlogsvluchtelingen plek kunnen geven? Gelijksoortige studies waarvan we kunnen leren zijn ook al gedaan door ontwerpbureaus, denk aan Een Stad van Komen en Gaan van Crimson Architectural Historians and Urbanists of aan Humanity on the move van stedenbouwers Bram van Ooijen van UFO urbanism en Lena Knappers. Ontwerpers kunnen de toekomst ook verbeelden, een kunde waarover Defensie niet beschikt. Kupers van H+N+S is al aan het tekenen geslagen. Als onderdeel van de reeks Geopolitiek in de Metropool (mede gefinancierd vanuit het Actieprogramma Ruimtelijk Ontwerp) werkt hij met collega’s aan een ‘Inspiratiekaart Ruimtelijke Interventies en Koppelkansen’, waarin hij historische militaire locaties, ontwikkellocaties waar nu aan wordt gewerkt (Marineterrein Den Helder, Kazerne Amersfoort, kritische locaties (TaTa, Schiphol, Havens, IJmuiden, Damen Shipyards, datacentra, gasleidingen, waterstofproductielocaties) en mogelijke nieuwe ruimtebehoeften in kaart brengt.
Weerbaar maken van de maatschappij
Kupers weet overigens het huidige Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie bij voorbaat en om verrassende redenen al te waarderen. Het onzichtbare beslag dat defensie op ons landschap legt, bijvoorbeeld door laagvliegzones in te tekenen, brengt leegte voort. In deze zones zullen toekomstige bouwactiviteiten namelijk maar mondjesmaat gerealiseerd kunnen worden. Leegte is in Nederland een schaars goed. Maar leegte komt vaak wel het bodemleven of de biodiversiteit ten goede. Defensie helpt met haar ingrepen, onbedoeld, het landschap van Nederland wellicht gezonder te maken. Werkend aan de opgave om de maatschappij weerbaar te maken, is dit al een belangrijke verdienste.
De overheid doet er goed aan de opgave de maatschappij weerbaar te maken, doorwrochter te doordenken. De maatschappij oproepen om noodpakketten te maken en noodsteunpunten op te richten, waar burgers in noodsituaties met vragen naartoe kunnen gaan is bovendien erg top-down gedacht. Zo’n benadering past ook bij de oorlog van gisteren. Inmiddels werkt de maatschappij veel vaker bottom-up. ‘Wat ga jij doen?’ is niet een vraag die Defensie top-down aan Nederlanders zou moeten vragen, want overal werken Nederlanders al aan het weerbaar maken van de maatschappij. Denk aan de vele projecten die op buurtniveau voor vele sociale netwerken hebben gezorgd, zoals buurttuinen, kerken die sociaal programma verzorgen, straten die met elkaar spullen, zoals gereedschap, of diensten, zoals buurtpreventie delen. Daar ligt een kracht om met ruimtelijke keuzes op aan te haken. Maar dan moet je de al bestaande sociale weerbaarheid wel goed in kaart hebben. Dat zou een prachtige opgave zijn voor ontwerpend onderzoek. (1) Ik stel de vraag dus graag terug aan Defensie: ‘Wat ga jij doen, om beter aan te haken op de ruimtelijke en sociale kansen die Nederland al biedt?’
- Arcam werkt deze casus in 2026 uit in Nieuw-West, als onderdeel van het Optimistisch Rampenplan, mede gefinancierd door het Amsterdams Fonds voor de Kunsten en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Doel is input te leveren op de ontwerpopgave achter de beoogde 3400 noodsteunlocaties die in Nederland zijn voorzien ten tijde van acute crisissituaties, waarin mensen voor langere tijd zonder water, voedsel, stroom of (betrouwbare) informatie komen te zitten.