Aquamarijn

Wiel Arets Architects, 2009

Vier witte woontorens

In de zuidelijke punt van Osdorp is in het eerste decennium van de 21e eeuw gewerkt aan de transformatie van een wijk tussen de Pieter Calandlaan en het Jan van Zutphenplantsoen. Verouderde portieketageflats hebben plaatsgemaakt voor een meer gevarieerde buurt met in het midden rijtjes laagbouwwoningen en aan de randen hogere appartementengebouwen. Op een vrijgekomen strook langs het Jan van Zutphenplantsoen en het water van de Slotervaart, zijn vier woontorens van elf verdiepingen gerealiseerd. Ze staan met een ruime onderlinge afstand als grote schijven in het park, waarbij ze met hun kopse kanten aansluiten bij enerzijds het water en anderzijds de wijk. Aan beide zijden zijn de volumes opgetild zodat ze zich letterlijk openen naar de het water en de wijk.

Flexibele indeling

De blokken herbergen in totaal 390 appartementen in de huur- en koopsector en hebben alle een centrale kern waaromheen de woningen zijn gegroepeerd. Deze opzet maakte het mogelijk de woningplattegronden ten opzichte van elkaar te spiegelen en de verdiepingen flexibel in te delen. De appartementen hebben twee tot vijf kamers en variëren in grootte van 70 tot 140 m2. In alle woningen verschaft een drie meter brede schuifdeur toegang tot een inpandige serre, of – in het geval van de meest oostelijke toren – tot een kamerbreed balkon. De serres kunnen dankzij een schuif/vouwwand bij de woonkamer worden getrokken.

Horizontale banden

Het uiterlijk van de blokken wordt gekenmerkt door horizontale banden van verdiepingshoge ramen en een patroon van aluminium gevelplaten die de afzonderlijke woningen accentueren.

Modernistische associaties

Door de interne spiegeling van appartementen is een afwisselend gevelpatroon ontstaan dat te zien is als een subtiel spel met de begrippen standaardisatie en individualisatie. Alle vier de torens staan op een ondergrondse parkeergarage waarvan het dak als openbaar park is ingericht, met een wandelpromenade aan de waterkant. Vooral aan deze zijde roept het ensemble door de ritmiek in stedenbouwkundige situering associaties op met het modernisme van kort na de Tweede Wereldoorlog en – meer specifiek – met de beroemde flats van architect J.F. Berghoef langs de Cornelis Lelylaan.