Gemaal Halfweg, Amsterdam-Westpoort

Dick Slebos, 1975-1977

Dit artikel kwam tot stad in samenwerking met Erfgoedvereniging Heemschut

De taakverdeling tussen architect en ingenieurs

Het gemaal Halfweg van het Hoogheemraadschap Rijnland is gebouwd ter vervanging van het uit 1852 daterende stoomgemaal. Het is een van de vier grote boezemgemalen die het overtollige water uit het stelsel van met elkaar in verbinding staande oppervlaktewateren in Rijnland (de boezem) afvoeren. Ten behoeve van het ontwerp werden het Amersfoortse ingenieursbureau DHV (Dwars, Heederik en Verhey B.V.) en architect Dick Slebos uit Amsterdam aangetrokken. De taakverdeling was als volgt: DHV ontwierp de onderbouw, waarbij Slebos als adviseur optrad, en Slebos ontwierp de bovenbouw waarbij DHV adviseerde.

Dick Slebos (1923-2001) was na zijn studie aan de Academie van Bouwkunst werkzaam bij enkele architectenbureaus en sinds 1954 zelfstandig architect. Hij hield zich bezig met woningen, utiliteitsbouw en scholen. Van 1959-1978 was hij docent aan de Academie van Bouwkunst, van 1980-1988 hoogleraar in Eindhoven en sinds 1974 adviseur bij de Dienst der Publieke Werken voor de architectonische vormgeving van de Oostlijn van de metro.

Onderbouw en bovenbouw

De onderbouw van het gemaal bestaat uit drie doorstroomkanalen met gewapend betonnen vloer en wanden waarin schroefvijzels zijn aangebracht die het overtollige water door middel van (oorspronkelijk) dieselmotoren wegpompen. Deze aandrijfmotoren zijn later door elektromotoren vervangen. De schroefvijzels brengen het water uit de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder via het Zijkanaal F omhoog naar het niveau van de Amerikahaven en het Noordzeekanaal.

De onderbouw is het meest uitgebreide en kostbaarste gedeelte van het complex. In de bovenbouw zijn de bedieningsruimten van waaruit de waterbeheersing wordt gestuurd en gecontroleerd.

Karakteristieke kappen

Karakteristiek voor het gemaal zijn de drie naast elkaar geplaatste kappen met onder elk een schroefvijzel met eigen aandrijfkast en motor. Voorwaarde was dat elk van de drie vijzels onafhankelijk van de andere, ook in geval van calamiteiten, moet kunnen werken. Ook voor de bovenbouw was beton voor de constructie in verband met de geluids- en trillingsaspecten een logische keuze. Mede daardoor vormen onder- en bovenbouw een integraal geheel. Dat wordt benadrukt door de vier paar sierlijk slanke dubbele schijfkolommen die de kappen dragen en tegen de zuidwestelijke gevel als een soort moderne schuin geplaatste steunberen overgaan in de afgeschuinde betonnen voeten tussen de drie vijzels.

De bedieningsruimten kragen aan deze zijde tussen de schijfkolommen uit en de glasstroken ervan zijn ook schuin geplaatst, maar contra aan de kolommen, waardoor deze voorover hellende vensters een goed zicht bieden op de watertoevoer. In de topgevels onder de kappen zijn aan beide zijden glaspuien aangebracht.

 

Karakteristiek voor het gemaal zijn de drie naast elkaar geplaatste kappen met onder elk een schroefvijzel met eigen aandrijfkast en motor.

Het kleurgebruik is ingetogen. De gevels bestaan uit een combinatie van glad afgewerkte en van een oppervlaktestructuur voorziene beton. Daarnaast zijn zowel buiten als binnen ook B2-blokken toegepast. Als contrast hebben metalen onderdelen opvallende kleuren, groen voor de deuren, rood voor bewegende delen zoals de kraanbaan.

Veelvuldig toegepaste beton

Tot het complex behoren twee tegen elkaar geplaatste achtzijdige volumen die het ketelhuis (met hoge schoorsteen), personeelsruimten en een vergaderzaal op de verdieping bevatten; de verdieping is aan alle zijden van glas voorzien zodat men een weidse blik over het gebied van het Hoogheemraadschap heeft. Ook de twee aaneengeschakelde voormalige dienstwoningen en de opslagruimten zijn door Slebos ontworpen. Zowel vanaf de weg als vanaf het water is het silhouet van de drie naast elkaar geplaatste gelijkzijdige kappen tussen de aanbouwen het eerste dat aan het complex opvalt. De veelvuldig toegepaste beton voor constructie, gevelbekleding en walkanten maakt het complex tot één geheel.

Het is heel bijzonder dat de opdrachtgever ervoor heeft gekozen om niet vooral aandacht te besteden aan de techniek, maar door de keuze van de architect en de overeengekomen samenwerking tussen architect en ingenieursbureau, ook het meest zichtbare deel van het complex zorgvuldig vorm te laten geven. Het resultaat van deze perfecte samenwerking is een functioneel en als gemaal herkenbaar gebouw.

Paul Meijer, Erfgoedvereniging Heemschut

In 2021 is het complex op verzoek van Heemschut aangewezen als gemeentelijk monument.

Bronnenlijst

– Informatie Hoogheemraadschap van Rijnland.
– C. Zwinkels, ‘Gemaal te Halfweg. Het fraaie topje van een malende ijsberg’, in: De Architect 78 (1978), nr. 3, p. 56-59.
– I. Haagsma e.a., Amsterdamse gebouwen 1880-1980, Utrecht/Antwerpen 1981, nr. 228.
– G. van Tussenbroek, Verkenning van Wethouder van Essenweg 1-3, Monumenten en Archeologie, Amsterdam 2021.

De Nederlandse Gemalen Stichting: www.gemalen.nl