Molenwijk, Amsterdam Noord

Inbo, 1968

Dit artikel kwam tot stad in samenwerking met Erfgoedvereniging Heemschut

Een stedenbouwkundige fout

In het Algemeen Uitbreidingsplan (1935) van Cornelis van Eesteren werd de ongebreidelde groei van Noord als een ‘stedebouwkundige fout’ beschouwd en zag de gemeentelijke afdeling Stadsontwikkeling niets in Noord, omdat er geen oeververbinding was. De ruimtebehoefte van de bevolking groeide echter sneller dan in het AUP was voorzien, waardoor de benodigde ruimte in onder andere noordelijke richting werd gevonden. Voorwaarde voor woningbouw in Noord waren goede oeververbindingen met de stad, die er met de aanleg van de Schellingwouderbrug en de tunnels onder het IJ kwamen. Hierdoor zagen beleidsmakers, ontwikkelaars en architecten Noord niet langer als stedenbouwkundige fout, maar juist als een mogelijkheid om uit te breiden. Zo werd het stuk polder van Oostzaan waar de Molenwijk later zou worden gebouwd, Oostzanerwerf, in 1966 door de gemeente Amsterdam geannexeerd.

In deze tweede helft van de jaren zestig streefde de gemeente naar een hoge kwaliteit van de leefomgeving, onder andere door verbondenheid van de woning en de openbare ruimte. Daardoor werd in hoogbouw een geschiktere woonvorm gevonden dan de traditionele laagbouw. Door het toepassen van hoogbouw ontstond meer ruimte voor groen en werd de scheiding van leefomgeving en verkeer gemaakt. Privacy en een divers woningaanbod waren tevens eisen. Vanwege de ‘doorstroomfunctie’ van de Molenwijk werden hier hogere huren geaccepteerd: ‘nieuwbouw voor de midden- en hogere inkomens in de nieuwe wijken, goedkopere en oudere woningen elders in de stad voor lagere inkomens’, zo was de gedachte.

Ontwerp- en Constructiebureau voor Industriële Bouw

De architect van de Molenwijk, het zogeheten ‘Molenwiekenplan’ of plan Oostzanerwerf, was ir. Klaas Geerts (1932-2002). Geerts richtte in 1962 Ontwerp- en Constructiebureau voor Industriële Bouw op, inmiddels beter bekend als Inbo. Architect Geerts ontwierp de wijk in samenwerking met de gemeente, de gemeentelijke diensten Volkshuisvesting en Stadsontwikkeling en de Amsterdamse Federatie van Woningbouwverenigingen.

Proeftuin van de Bijlmermeer

Wat later typerend zou worden voor de Bijlmermeer, werd eerst in Noord met het plan Van Gool en daarna in de Molenwijk toegepast: kenmerken zoals een parkachtige omgeving, grootschalige systeembouw en de scheiding van langzaam en snel verkeer. Deze wijken waren ontwerptechnisch als het ware de voorlopers (‘laatste vingeroefening’) van wat later – op rigoureuzer wijze – in de Bijlmermeer zou worden toegepast: de scheiding van wonen en verkeer, het stapelen van de auto’s van de bewoners in parkeergarages en systeembouw.

De resultaten werden niet afgewacht, want de palen van alle drie de wijken (plan Van Gool, Bijlmermeer en de Molenwijk) gingen eind 1966 de grond in. Waar jaren later in de Bijlmermeer grootschalige ingrepen benodigd bleken, is dit in het plan Van Gool en de Molenwijk niet het geval geweest. Hoogstwaarschijnlijk speelt het fors geringer aantal woningen en de stedenbouwkundige opzet van de wijk (minder grootschalig, geen rigide scheiding van verkeersstromen) hierbij een belangrijke rol.

Een echte eigen stadswijk

De Molenwijk is gebouwd op de plek van een voormalige baggerbergingsplaats. 100% van alle geplande en gerealiseerde woningen in de Molenwijk bestaat uit hoogbouw. De wijk is daarbij revolutionair te noemen vanwege de volledig industriële bouw van de wijk: de woningen op de bouwplaats zelf werden geassembleerd uit industriële prefab-elementen afkomstig van de nabijgelegen Indeco Coignet-fabriek te Zaandam. Deze vorm van bouwen verkortte de bouwtijd van woningen aanzienlijk.

De wijk bestaat uit vijftien woongebouwen van tien woonlagen hoog en een torengebouw van zestien woonlagen in de zuidoostelijke hoek van de wijk (de ‘Stellingwegflat), gezamenlijk goed voor 1256 woningen. De aan de buitenzijde vrijwel identieke flatwoningen worden door galerijen ontsloten; aan de andere zijde zijn doorgaande balkons. Zowel aan de galerijen als ter plaatse van de balkons zijn verdiepingshoge gevelpuien toegepast. Een grote speelhal van 9 vierkante meter vormt het centrum van de vier- en driekamerwoningen. In de tweekamerwoningen ontbreekt deze hal. Het autoverkeer wordt via vier zijwegen naar vier centraal gelegen parkeergarages geleid (zie afbeelding 1 t/m 4). De flats staan om deze parkeergarages als de wieken van een molen gespreid. Ook zijn veel speelvoorzieningen in de Molenwijk, onder andere ontworpen door Aldo van Eyck en Marijke van Lis, van grote cultuurhistorische waarde (zie afbeelding 5).

 

Deze speelvoorzieningen bevinden zich in het openbare groen in en rondom de Molenwijk. Zo bevindt zich in de zuidwestelijke hoek van de wijk de Heemtuin, een vijver en een kinderboerderij. Laatstgenoemde op een klein eiland: Diereneiland. Ook een padenstructuur, allerlei kunstobjecten en vele door bewoners onderhouden stukken groen bevinden zich in de Molenwijk. Deze groenstructuur is ontstaan door de toepassing van stedenbouwkundige principes zoals het scheiden van verkeer en het apart parkeren van de auto’s in de garages. Door de toepassing van dergelijke principes ontstond veel ruimte voor groen en een ruim opgezette en grotendeels autovrije, parkachtige wijk.

De vele voorzieningen in de wijk, zoals een eigen winkelcentrum, bibliotheek, (tand)artsenpraktijk en scholen, leid(d)en ertoe dat veel mensen oud (willen) worden in de wijk. Je hoeft de Molenwijk niet uit: alle voorzieningen bevinden zich in de wijk zelf, wat de wijk een echte eigen stadswijk maakt. Bewoners uit omliggende buurten bezoeken de wijk regelmatig, voornamelijk vanwege de voorzieningen en het vele groen.

Manon Fonteijn, Erfgoedvereniging Heemschut

Bronnenlijst

– Balk, J. T., Bouwen in Amsterdam. Molenwijk (Amsterdam 1968)
– Berg, van den, M., Jongens, maak het maar mooi. Stadsontwikkelaar en ambtenaar in Amsterdam 1963-1986 (Bussum 2016).
– Cammen, van der, H., Klerk, de, L., (reds.), The Selfmade Land. Culture and Evolution of Urban and Regional Planning in the Netherlands (Houten-Antwerpen 2012).
– Gemeente Amsterdam, Monumenten en Archeologie, De Molenwijk – Cultuurhistorische Verkenning (Amsterdam 2020).
– Gemeentelijke dienst Volkshuisvesting Amsterdam, Amsterdam wonen 1900-1975 (Amsterdam 1975) 42-43.
– Gemeentelijke dienst Volkshuisvesting Amsterdam, Sociale woningbouw Amsterdam, 68-86 (Amsterdam 1986).
– Hellinga, H., De Ruijter, P. H., Algemeen Uitbreidingsplan 50 jaar (Amsterdam 1985).
– Ottens, E., Ik moet naar een kleinere woning omzien want mijn gezin wordt te groot. 125 jaar sociale woningbouw in Amsterdam (Amsterdam 1985).
– Werf, van der, J. e.a. (red.), Atlas AUP Gebieden Amsterdam (Amsterdam 2013).