Wooncomplex Grote Bickersstraat en Bickersgracht

Jouke van den Bout en Paul de Ley, 1972-1982

Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met Erfgoedvereniging Heemschut.

Amsterdam kent vanaf 1950 verschillende gebieden die drastisch sanering behoeven en bij het Rijk voorgedragen worden in het kader van de Wederopbouwwet. Het Bickerseiland is zo’n gebied.

Het oorspronkelijke karakter

Al rond 1960 wordt een groot deel van de bebouwing op het eiland gesloopt. Er moeten vier grote kantoorgebouwen komen. Het eerste, ‘de ‘Walvis’, wordt opgeleverd in 1964. Nadat in 1969 met de bouw van het tweede kantoorpand, de ‘Narwal’, is gestart komen echter de buurtbewoners, georganiseerd in het Actiecomité Westelijke Eilanden, in actie voor behoud van het oorspronkelijke karakter van het Bickerseiland. Het moet een plek voor kleinschalige bebouwing blijven, vinden ze, met een mix van wonen en werken.

 

Verzet tegen cityvorming

Het is een van de eerste buurtactiegroepen in Nederland die zich verzetten tegen grootschalige nieuwbouwplannen van gemeenten die gebaseerd zijn op de naoorlogse ideeën van de ‘functionele stad’. Vanaf 1970 werken Paul De Ley (1943) en Jouke van den Bout (1943-2014), architecten die in de jaren zeventig en tachtig intensief betrokken zijn bij de stadsvernieuwing in Amsterdam, samen met de buurtbewoners aan een nieuw buurtplan. Dit resulteert in een wijziging van het bestemmingsplan in 1972 en vervolgens de bouw van een eerste complex met sociale woningen en bedrijfsruimten. De buurt krijgt weer als van ouds een gemengde bestemming, een combinatie van wonen en werken. Het is het eerste tastbare resultaat van buurtverzet tegen het oprukkende cityvormingsbeleid.

 

De architectuur

De architectuur van deze sociale woningbouw, die om budgettaire redenen vrij sober is gebleven, zoekt duidelijk aansluiting bij de schaal en ritmiek van de historische binnenstad. In feite zijn de gevels – zonder historiserend te worden – een sobere interpretatie van de voor de Westelijke Eilanden zo kenmerkende historische (pak)huizen. Er is gevarieerd met de hoogte en met het aanbrengen van erkers. De eerste fase bestaat uit achttien woningen en twee bedrijfsruimten, de tweede fase uit elf woningen en één bedrijfsruimte, gerealiseerd in de periode 1972-1982 in opdracht van Stichting Lieven de Key.

Door te kiezen voor aanpassing aan de bestaande situatie ontstond een ondiep stedelijk bouwblok met smalle kavels en bebouwing vaak over de gehele bouwdiepte. Om een hoge woningdichtheid te bereiken ontwerpen de architecten smalle woningen die doorlopen van straat naar gracht. In verband met de diepte is per twee beuken halverwege een lichthof nodig. Aan de lichthof zijn een kleine slaapkamer en de keuken gelegen; de keuken functioneert tevens als doorloop van de woonkamer naar de slaapkamers. Elke woning heeft een erker in plaats van een balkon aan de woonkamer. Door de spiegeling van telkens twee woningen zijn de woonkamers zowel aan de gracht als aan de straat gelegen. Op de platte daken tussen de lichthoven zijn gemeenschappelijke dakterrassen, die het gebrek aan een eigen balkon compenseren. De hoven zorgen ook voor daglicht van de gemeenschappelijke en bijzondere ruimten op de begane grond.

 

Experimentele woningbouw

Het complex behoort tot één van de vijf voorbeelden van ´experimentele woningbouw´ uit deze periode in de stad en is een bekroning van een ontwikkeling die nadrukkelijk door de buurt werd gewenst, een wooncomplex dat zich door de kleinschaligheid en bijzondere oplossingen goed voegt in de historisch gegroeide situatie. Het project markeert een belangrijke omslag in de aanpak en de schaal van de stadsvernieuwing en werd in de jaren zeventig en tachtig een voorbeeld voor vele andere stadsvernieuwingsprojecten in Amsterdam en de rest van Nederland.

Norman Vervat, Erfgoedvereniging Heemschut