Zuidas en Buitenveldert met water ertussen

‘In domeindiscussies kan niemand wonen’*

#4

25.02.21 Indira van 't Klooster 4 minuten lezen

De verkiezingsprogramma’s staan er vol van. De woningnood is hoog en vrijwel elke partij wil er iets aan doen. Voor wie precies wil weten hoe de verschillende programma’s uitpakken voor de bouw heeft Cobouw ook dit jaar weer een inzichtelijke analyse gemaakt. De focus en de details verschillen, maar vrijwel alle partijen bepleiten landelijke regie (in de vorm van een Ministerie en een Actieprogramma), financiële hervorming en investeringsfondsen, en aanpak van uitwassen (zoals de Verhuurdersheffing). De ambitie is 1 miljoen nieuwe woningen erbij in 2030. Dat is 100.000 woningen per jaar. Dus circa 30.000 woningen per jaar méér dan grosso modo de afgelopen jaren zijn opgeleverd.

Vorige week rondde ARCAM een vijfdelige verkenning naar de woningbouwopgave in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) af in een serie Winterlezingen. Met 200.000 woningen tot 2040 – waarvan 175.000 tot 2030 – is de MRA verantwoordelijk voor 17,5% van de totale opgave à 17.500 woningen per jaar, wat dan 2500 woningen meer zou zijn dan de Metropoolregio Agenda 2020-2024 aan op te leveren woningen noemt. Dat is veel minder dan mogelijk is als we eerder gevonden potentiële bouwlocaties erbij halen, maar ook: meer dan er sinds 2016 jaarlijks in de regio zijn gerealiseerd.

De markt in de MRA is krap, maar er zijn grote verschillen in beschikbaarheid en vierkante meterprijzen. De Winterlezingen lieten zien dat ook de vraagstukken verschillen. Zo is voor Zaanstad (20.000 woningen erbij in 2040) vooral verdringing van Zaankanters door Amsterdammers en de verkamering van het woningaanbod een probleem. De Haarlemmermeer richt zich op een duurder segment van mensen die op werkgelegenheid afkomen en ‘ergens in de MRA’ willen wonen, of dat nou Weesp of Hoofddorp is. Purmerend profileert zich met 10.000 woningen nadrukkelijk als duurzame woonlocatie in de MRA. Aan de vorig jaar aangestelde Bouwambassadeur Lex Brans de taak om onder andere via ‘bouwtafels’ het bouwproces te versnellen, beter af te stemmen en te verduurzamen.

Geweldig natuurlijk, al die goede plannen. Maar alle beleidsnota’s, prognoses, verdeling van woningen op type en hoeveelheden, rijkssubsidies, aanvullende afspraken, diversiteit, mobiliteits- en duurzaamheidsvraagstukken, en de voortreffelijke dossiers van Nul20 ten spijt, kreeg ik één vraag niet boven water.

Hoe wordt er nu precies ingezet op kwaliteitsambities in die op te voeren woningproductie? In de deze week gepresenteerde Actieagenda Wonen, een topprestatie die door 34 opdrachtgevende, bouwende en adviserende partijen werd ondertekend, komt het woord kwaliteit als zelfstandig naamwoord maar een keer voor, en wel in deze zin: ‘Woningcorporaties en marktpartijen spannen zich in om gebruik te maken van industriële woningbouw, zonder daarbij aan architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit in te boeten.’ Een passage waar ook architecten zoals Jannie Vinke, Rudy Uytenhaak en Bart Mispelblom Beyer zich zorgen over maken.

Kwaliteit sneeuwt makkelijk onder in kwantitatieve dadendrang. Daarvan zijn ook de samenstellers van de Actieagenda Wonen zich bewust: ‘Partijen constateren een spanningsveld tussen de legitieme wens van gemeenten om lokale ambities te verwezenlijken en bij te stellen op grond van nieuwe inzichten en de noodzaak tot kostenbesparing en versnelling […] Met het Rijk, de decentrale overheden, markpartijen en woonconsumenten wordt onderzocht hoe het omgaan met lokale (kwaliteits-) eisen beter geregeld kan worden.’

Deze zin maakt overigens niet duidelijk of nu wordt getwijfeld aan de gemeentelijke ambities (die in principe zijn gewaarborgd in ruimtelijke kwaliteitscommissies, omgevingsvisies en bestemmingsplannen), of juist aan hun gebrek aan medewerking om die eisen ‘bij te stellen’. En ook niet welke kwaliteit nu eigenlijk gezocht wordt (esthetische, materiaal, sociale samenhang, gezonde steden, groene wijken?).

Ook de Woningbouwimpulsen, financiële injecties van Rijkswege die lokaal worden toegediend waaronder in de MRA, lijken vooral met het oog op betaalbaarheid en productiesnelheid te worden verleend. Niet op basis van duurzaamheidseisen, circulariteit, energiewaarden of anderszins. De woningaantallen in de MRA zijn gespecificeerd op woz-klasse en type, maar niet op FSI, EPC-norm of CO2-footprint, wat meer zou kunnen vertellen over verdichtings- en duurzaamheidsambities.

Daarmee blijft de verantwoordelijkheid voor kwaliteit vooral liggen bij lokale bestuurders, bouwpartijen en ontwerpers. Wie graag landelijke steun wil in de strijd om duurzame steden – dus meer dan juridische zekerheid of extra aftrekposten voor burgers bij individuele verduurzamingsacties – moet vooral de programma’s van D66GroenLinks en Partij voor de Dieren napluizen.

* citaat uit de ActieAgenda Wonen, waarin samenwerking wordt bepleit.

Winterlezingen terugkijken

Wil je alles weten over de complicatie dat autominnend Purmerend in autoluw Amsterdam werkt, de vele vragen van zittende bewoners bij de transformatie van Schalkwijk in Haarlem, of over scheeflopende ambities van ontwerpers, beleidsmakers en geldschieters rondom de Floriade in Almere, dan kun je alle Winterlezingen terugkijken.