Burgerweeshuis

A.E. van Eyck, 1959

Een labyrint in Amsterdam

Het Burgerweeshuis, in 1955 door Aldo van Eyck ontworpen om onderdak te bieden aan 125 weesjongens, wordt in 1960 opgeleverd en is als zodanig tot 1991 in gebruik geweest. Van Eyck krijgt drie voorwaarden mee waaraan het ontwerp moet voldoen: openheid, doorwaadbaarheid en eenheid. Het weeshuis oogt als een kashba of zelfs als labyrint en is een schoolvoorbeeld van het structuralisme. Het is opgebouwd uit talloze binnen- en buitenruimtes die in een complexe orde met elkaar verbonden zijn en haast onmerkbaar in elkaar overlopen. In Van Eycks visie liggen het private en het collectieve in elkaars verlengde en dient de grens tussen gebouw en stad te worden geslecht.

Verbinding tussen binnen en buiten
Bij het vormen van de paviljoens waaruit het gebouw bestaat gebruikt Van Eyck standaardmodules die in subtiele variaties steeds terugkeren. Het complex omvat in totaal 336 modules, gegroepeerd rond een binnenhof. Bolle daken van kunststof bedekken de paviljoens waarbij de gemeenschappelijke ruimtes zich onder grote ronde koepels bevinden. Het Burgerweeshuis is een reactie op de architectuur van de jaren vijftig die in het teken staat van massaproductie van veelal identieke woningen en fabrieken. Deze industriële architectuur bood nauwelijks ruimte voor individuele expressie. Met het Burgerweeshuis wilde Van Eyck aandacht voor het individuele terugbrengen in de architectuur. Onder andere door met herhaling van elementen een plattegrond te vormen die toch niet gestandaardiseerd is, door te zoeken naar nieuwe verhoudingen tussen binnen- en buitenruimtes, door een grote zorg voor de detaillering en door zich in te leven in de gebruikers: de verweesde kinderen.

Van vervallen weeshuis naar Rijksmonument
Door de vervallen staat van het gebouw ontstaat in de jaren tachtig het plan om een deel van het Burgerweeshuis te slopen. Een massale actie, die vanuit de hele wereld bijval krijgt, voorkomt sloop. Nederland heeft dan een naoorlogs monument herontdekt. Redding van het complex wordt mogelijk doordat een projectontwikkelaar wordt gevonden die het gebouw en het terrein wil kopen. Een en ander onder de voorwaarde dat deze er een kantorencomplex mag ontwikkelen. Dit complex – Tripolis genaamd – wordt ontworpen door het echtpaar Aldo en Hannie van Eyck. Zij nemen daarna ook de restauratie van het weeshuis op zich. In 2014 wordt het project aangewezen als Rijksmonument en vervolgens in 2015 is het pand geschikt gemaakt voor de huisvesting van diverse kantoren. In 2018 betrekt gebiedsontwikkelaar BPD het pand na een grondige renovatie waarbij de historische waarde van het gebouw centraal staat.

Tekst: Lieke Haan