De Nederlandsche Bank

M.F. Duintjer, 1968

Frederiksplein
Het gebouw van De Nederlandsche Bank was in de jaren zestig een van de meest spraakmakende gebouwen die in Amsterdam werden gerealiseerd. Niet in de laatste plaats vanwege de plek waar het werd gebouwd: op het Frederiksplein stond eens het Paleis voor Volksvlijt, een symbool van openheid en openbaarheid.

Paleis voor Volksvlijt
In 1929 brandt het Paleis grotendeels af; een laatste restant werd in 1960 afgebroken. In 1954 wordt een meervoudige opdracht uitgeschreven om een nieuw gebouw te realiseren voor De Nederlandsche Bank, die destijds aan de Nieuwe Turfmarkt is gevestigd. Uit de tweede ronde komt het plan van Marinus Duintjer als meest geschikt naar voren, maar de locatie aan de Nieuwe Turfmarkt wordt ingewisseld voor het Frederiksplein. Tot die tijd was deze plek bestemd voor de nieuwbouw van een stadhuis, gecombineerd met een operagebouw.

 

De Nederlandse goudvoorraad
Duintjer ontwierp een toren van 66 meter hoog, omgeven door een rechthoekig gebouw van 120 meter breed en 100 meter diep. Het staat op een schuilkelder en een drietal kluizen waarin tot 2020 de Nederlandse goudvoorraad werd bewaard. De gevels van de laagbouw bestaan uit gesloten gevelvlakken, afgewisseld door grote glasvlakken. De gevel van de toren heeft betonnen borstweringen bekleed met bruine tegeltjes. Aan de noordgevel van het oorspronkelijke gebouw bevindt zich een plastiek van de kunstenaar Zadkine. Hoewel een bank in die tijd niet meer als een onneembaar bastion werd beschouwd, zoals de Nederlandsche Middenstandsbank van De Bazel & Berghoef in de Vijzelstraat, geldt Duintjers ontwerp niet zonder meer als een geslaagd voorbeeld van een open gebouw. Er wordt in de kritieken bijvoorbeeld van levenloze openheid gesproken.

 

Uitbreiding
In 1991 is het gebouw uitgebreid met een ronde cilinder van veertien verdiepingen, naar een ontwerp van J. Abma van bureau Abma + Dirks + Partners.