Het Schip

M. de Klerk, 1920

Een schip in de stad
Van de drie blokken arbeiderswoningen bij het Spaardammerplantsoen betekende vooral het derde, gebouwd voor een socialistische woningbouwvereniging, de doorbraak van de Amsterdamse School. Het 32.000 m2 grote complex wordt in 1920 gerealiseerd en heeft een driehoekige plattegrond opgebouwd uit vier verdiepingen. De naam ‘Het Schip’ kan worden ontleend aan de langwerpige vorm van het blok. Het complex telt 102 woningen in wel achttien verschillende woningtypes, waarvan het meest voorkomende drie kamers heeft. De woningen worden verhuurd door woningcorporatie Eigen Haard en zijn echte ‘paleizen’ voor de arbeiders omdat nog niet eerder zoveel aandacht is besteed aan de vormgeving van de woningen voor de arbeidersklasse.

Van postkantoor naar museum
Buiten deze woningen omvat het Schip ook een ontmoetingsruimte voor de bewoners, een school en een postkantoor. Voor het postkantoor ontwerpt De Klerk ook het interieur met balies, stoelen en een telefooncel. Dit postkantoor wordt in 2001 gesloten, niet snel hierna wordt hier Museum Het Schip gevestigd. Aanvankelijk is het museum een tijdelijk project dat wordt gestart om het 100-jarige bestaan van de Woningwet onder de aandacht te brengen. Vanwege het grote succes wordt al snel een permanente status toegekend aan het museum. Het museum bevat ook een museumwoning die een indruk geeft van de woonomstandigheden in het complex in de jaren twintig van de twintigste eeuw. Daarnaast is er een museumruimte met informatie over de geschiedenis van het gebouw en de Amsterdamse School. Sinds 2005 is in het gebouw ook een lunchroom geopend. In 2016 is het schoolgebouw dat onderdeel is van het bouwblok deel geworden van het museum. Ook het voormalige schoolplein is in gebruik genomen als tentoonstellingslocatie.

Vele decoratieve elementen
De Klerk zijn expressionistische stijl komt in het Schip duidelijk naar voren. De gevels zijn een toonbeeld van virtuoos metselwerk van rode baksteen waarin ramen en portieken in allerlei vormen met sculpturen en belettering zijn samengebracht tot een ‘Gesamtkunstwerk’. Van de twee lange gevels is die aan de Oostzaanstraat het meest bescheiden, die aan de Zaanstraat – direct aan het spoor – heeft een sterk horizontaal karakter. Het tweede opvallende kenmerk van het exterieur zijn de met dakpannen bedekte daken die tot op de gevel reiken. Aan de korte kant, in de Hembrugstraat, markeert een toren een pleintje; dit ensemble is niet alleen een symbool geworden van de Amsterdamse School, maar ook een mikpunt van de latere kritiek op deze stroming. De kritiek richtte zich voornamelijk op de a-functionaliteit van de decoraties – in dit geval de toren.

Lieke Haan