Pniëlkerk

Berend Tobia Boeyinga, 1954

Wederopbouwkerk

De gereformeerde Pniëlkerk kwam tot stand gedurende de hausse van de kerkenbouw na afloop van de Tweede Wereldoorlog. Omdat een eerder ontwerp in baksteen te duur bleek, werd voor beton gekozen, een materiaal dat toen in Nederland nog weinig voor sacrale ruimten werd gebruikt. Kerken van o.a. Auguste Perret (Kerk te Raincy, 1924) en van G.H. Holt (St Josephkerk, Amsterdam 1952) dienden als voorbeeld.

‘Het Theelichtje’

De kerk ligt op de overgang tussen de gesloten blokbebouwing die tot in de jaren dertig gebruikelijk was, en de strokenbouw van na de oorlog. De vorm van de kerk, een onregelmatige vijfhoek, volgt de in het bestemmingsplan voorgeschreven rooilijn. Opvallend in het witte gebouw zijn de kleine lichtopeningen, gevormd met glazen bouwstenen, die de kerk de bijnaam ‘het theelichtje’ bezorgden. Het gebouw staat sinds 2009 op de gemeentelijke monumentenlijst en werd voorgedragen als Rijksmonument. Deze status heeft het gebouw echter niet gekregen.

Een nieuw licht

In 2002 is het gebouw verkocht aan Stadgenoot, toen woningcorporatie Het Oosten. De kerkfunctie was inmiddels verleden tijd. In 2003 werd er een tentoonstelling gehouden over het werk van architect B.T. Boeyinga. Hierna is het gebouw van binnen compleet gerestaureerd door architect Jan Frederik Groos, hierbij is het exterieur onveranderd gebleven. Sinds het najaar van 2005 schijnt er opnieuw licht in het gebouw door de vestiging van een cultuurpodium en een tandartsenpraktijk.

Cyril Witte