Vogeldorp

B.T. Boeyinga, 1919

Tuindorp Vogeldorp
Vogeldorp is gebouwd in 1919 en is daarmee het eerste tuindorp in Amsterdam Noord. Het stedenbouwkundige concept voor een Tuindorp is afgeleid van het Tuinstad-idee van Ebenezer Howard, waarbij de beste kwaliteiten van het stedelijk leven en het leven op het platteland gecombineerd worden. De ruim 300 kleine woningen zijn gebouwd om arme fabrieksarbeiders, die tot dusver in krotwoningen wonen, van een betere levensstandaard te voorzien. Er zijn twee type woningen te vinden: woningen met en zonder verdiepingsvloer. De onderpuien van de woningen zijn van baksteen met daarboven verticale houten strookbeplanking onder het dak. Het vogeldorp heeft een redelijk symmetrische opzet met de Lange Vogelstraat als lengte-as. Ook zijn er twee pleintjes waarvan één met speeltuin. Aan het Vogelplein staan tot de Tweede Wereldoorlog winkels, maar de winkelgebouwen worden voor de helft gesloopt tijdens de Hongerwinter om het hout te kunnen gebruiken voor verwarming. De helft die er nog staat is in gebruik door zorginstellingen.

Betere woningen voor arbeiders
De grond waar Vogeldorp op is gebouwd, is van oudsher een watervlakte. Deze is omstreeks 1870 ingepolderd tijdens de aanleg van het Noordzeekanaal. Het terrein blijft jarenlang ongeroerd liggen tot er uiteindelijk vele arbeiderswoningen op worden gebouwd. Door de toename van fabrieken in en bij de stad, is het aantal inwoners van Amsterdam tussen 1870 en 1900 namelijk verdubbeld. De woningbouw voor deze nieuwe stroom aan arbeiders wordt overgelaten aan particulieren, waardoor er steeds meer krotwoningen met weinig daglicht en frisse lucht ontstaan. De politiek komt in 1901 daarom met de Woningwet, die de bouw en de bewoning van krotwoningen onmogelijk moet maken en de bouw van goede woningen moet stimuleren. De bouw van Woningwetwoningen komt vanaf 1910 op gang, maar voor de allerarmsten biedt dit nog geen oplossing. Gemeenten beginnen daarom zelf woningen voor deze groep te realiseren, waarvan Vogeldorp een voorbeeld is.

Geen badkamer, wel een badhuis
Als semipermanent nooddorp is het Vogeldorp gebouwd met tijdelijke woningen die 35 jaar zouden blijven bestaan. De woningen zouden zo goedkoop mogelijk worden, maar wel aan de minimumeisen van de Bouwverordening moeten voldoen. Per woning kost de bouw gemiddeld 3.780 gulden. De huizen zijn gebouwd met een toilet, elektriciteit en gas. Omdat er geen badkamers in de huizen zitten, is het Vogeldorp ook voorzien van een badhuis. Tegenwoordig zit hier Museum Amsterdam Noord in gevestigd.

Bejaardendorp
De eerste bewoners van het Vogeldorp zijn uitsluitend Amsterdamse arbeidersgezinnen, afkomstig uit toenmalige arbeiderswijken zoals de Jordaan en de Nieuwmarktbuurt. Onder de arbeiders in de Vogelbuurt zijn relatief veel socialisten en communisten. Dit is ook het geval in Disteldorp en Tuindorp Oostzaan, waardoor drie dorpen in het begin ook wel ‘de rode Tuindorpen’ genoemd worden. De kleine omvang van de arbeiderswoningen maken de woningen niet geschikt voor gezinnen met kinderen, beoordeelt de gemeente in de zestiger jaren. Vanaf dan worden leeggekomen woningen toegewezen aan bejaarden, waardoor Vogeldorp tot in de jaren negentig een imago krijgt als ‘bejaardendorp’.

Van nooddorp tot monument
Hoewel Vogeldorp slechts 35 jaar zou bestaan, viert het dorp in 1993 nog zijn 75-jarige bestaan en besluit de VvE Vogeldorp in 2018 unaniem dat integrale instandhouding van het dorp het uitganspunt voor de toekomst is. Door betrokken buurtbewoners en meerdere grootschalige renovaties vanaf 1933 staat het dorp er nog steeds goed bij. In 2000 heeft het Vogeldorp een Gemeentelijk Monumentenstatus gekregen en sinds 2014 maakt het onderdeel uit van een beschermd stadsgezicht.

Tekst: Anna Peschier