Groen kan heel grijs zijn

#19

11.10.22 Indira van 't Klooster

Eind september presenteerde Arcam De groene architectuurgids van Amsterdam 2000-2025. Het was niet alleen een feestelijke lancering, maar ook de start van een gesprek dat sindsdien buiten Pakhuis de Zwijger wordt voortgezet. Dat was ook de bedoeling. De reden om de gids te maken, was immers om het rookgordijn rondom de cijfers te lichten.

Er was namelijk nog geen gids waarin gerealiseerde Amsterdamse gebouwen worden vergeleken op duurzaamheid, maar er zijn wel veel opdrachtgevers en ontwerpers die zeggen dat hun gebouwen ‘groen’ zijn. In de gids hebben we de meest gangbare criteria onderzocht: energieprestatie (EPC/BENG) en circulariteit (MAT1 en MPG), en de kwalitatieve criteria natuurinclusiviteit en klimaatadaptiviteit. De gemeente Amsterdam kent sinds enkele jaren op die vier criteria punten toe in haar tenders. Voor de gebouwen die niet in Gebouwd in Amsterdam staan (kantoorgebouwen bijvoorbeeld), hanteerden we de Breeam-scores.

De redactieraad heeft – wanneer de scores gelijk waren – ook gekeken naar variatie in typologie, locatie en makers. Ook namen we trendsetters op: gebouwen die niet gemeten kunnen worden langs de huidige meetlat (de criteria veranderen snel), maar die wel een belangrijke voorbeeldfunctie hebben vervuld. Zo is er maandenlang gewerkt aan het achterhalen van cijfers achter cijfers, het analyseren van onderliggende waarden achter Breeam-scores en het vinden van ontbrekende gegevens.

Deze publicatie toont de gebouwde resultaten op basis van de momenteel dominante opvattingen over duurzaamheid, met alle criteria en waarden die daarbij horen. Het is dus een nulmeting. Of de uiteindelijke selectie meevalt of tegen is afhankelijk van ambities, perspectief en specifieke technische kennis, maar duidelijk te zien is, in de fotoreportage van Rubén Dario Kleimeer, dat de stad letterlijk groener wordt. De tijd dat duurzaamheidscriteria werden gehaald door gebouwen vol te leggen met zonnepanelen is voorbij.

Maar is het genoeg? Blijven de klimaatdoelen van Parijs 2030 binnen bereik met de huidige manier van bouwen? Dat is maar zeer de vraag. ‘Bouwen is de oude wereld: traag, vies en overgereguleerd’, stelt Bjarne Mastenbroek in de gids. Hij betoogt dat het huidige systeem van meten van duurzame bouw een technische opgave maakt, die de architect buitenspel zet. Hoe minder regels, hoe meer zelfredzaamheid, hoe beter de resultaten, is zijn overtuiging. Dat geeft aanleiding tot vragen over waar selectiecriteria in tenders mogelijk tekort schieten, ontoereikend zijn, of zelfs actief bijdragen aan onderbenutting van duurzaamheidskansen. Ook Mantijn van Leeuwen constateert dat de criteria, waarop momenteel wordt uitgevraagd, niet de enige manieren zijn om ‘groen’ te meten.

Een voorbeeld daarvan is het uitvragen op co2-uitstoot als gevolg van de energievoorziening en het verwarmen en koelen van gebouwen. Hoe minder hoe beter, en dat wordt beloond. Maar het produceren van bouwmaterialen en het vervoer daarvan naar de bouwplaats, alsook de benodigde materialen voor de inrichting van een gebouw verbruikt al heel veel co2. Dat heet ‘embodied carbon’. ‘Geef voortaan bij elk bouwwerk aan wat de Paris Proof embodied carbon prestatie is (kg co2-eq. per m2, berekend volgens het DGBC Paris Proof Embodied Protocol (www.dgbc.nl)) en dat het bouwwerk Paris Proof qua operationeel energieverbruik is volgens het WEii protocol’, aldus Mantijn van Leeuwen.

Ook weten we dat sommige projecten heel duurzaam zijn, maar toch niet in deze gids staan. Voorbeeld daarvan is de Drieklimatenkas bij de Amsterdamse Hortus, naar ontwerp van ZJA. De koppeling van warmtebronnen met warmte(her)verdeling over de omgeving en biodiversiteit is slim en effectief, maar het past (nog) niet goed in de gangbare meetsystemen. Een ander voorbeeld is basisschool De Wereldburger: met een hergebruikt betonskelet en een grote hoeveelheid hergebruikt hout zou dat hoog moeten scoren. Een basisschool heeft echter geen budget om Breeam-certificaten te laten opstellen en geen commerciële belangen om daarmee te pronken. Ze maken gewoon een supergroen gebouw, en daar zijn dan geen cijfers van.

De manier van meten verdient dus nadere aandacht, maar ook het feit dat nooit wordt gecontroleerd of de beloftes die bij aanvang worden gedaan daadwerkelijk worden nagekomen. Zijn de genoemde waarden inderdaad de waarden die zijn opgeleverd? ‘Te vaak zien we dat keuzes uit het definitief ontwerp de uitvoering niet halen. Te vaak zien we dat berekende milieuprestaties uit ontwerp in productie niet worden gerealiseerd’, stelt Mantijn van Leeuwen.

En dus is er zeker reden tot zorg. ‘Zelden was groen zo grijs’, zei Thijs de Zeeuw op Instagram over de presentatie van de gids. Grijs hoeft niet verkeerd te zijn, maar een gebrek aan ambitie of een teveel aan oogkleppen en onwil wel, en dat was precies wat hij bedoelde. Thomas Rau bepleit een radicale koerswijziging, een die offers gaat vragen. ‘Als mensheid hebben we ons gedragen als verwende pubers en nu staan we op het punt onvrijwillig volwassen te worden. We dienen ons te gaan verhouden tot deze nieuwe realiteit.’

Meermaals werd al bij lancering gevraagd om een deel 2 van de gids. De nieuwste generatie groene gebouwen moet immers nog uit de steigers komen, op IJburg bijvoorbeeld en in de Sluisbuurt. Ook weten we pas over enkele jaren of Valley écht nog groener wordt en publiek toegankelijk blijft. In hoeverre wijken opgegeven waarden af van opgeleverde feiten?  Welke nieuwe criteria kunnen we toevoegen en leveren alternatieve metingen andere cijfers op (denk aan sjoemeldiesels en stikstofduikers)? Deze gids laat zien waar we nu staan. De volgende vraag is: hoe kan het beter?

* Noot: alle bovenstaande citaten komen uit De Groene architectuurgids van Amsterdam 2000-2025